Terug naar het overzicht

De verbrandingsmotor

Volgende

Het zal je vast niet verbazen dat de verbrandingsmotor zijn energie uit de verbranding van brandstof haalt. Er zijn twee soorten verbrandingsmotoren: de benzinemotor en de dieselmotor.

Draai in fasen

De benzinemotor werkt als volgt: in de motor wordt een mengsel van lucht en benzine tot ontbranding gebracht met een vonk geleverd door een bougie. De energie die daarbij vrijkomt, doet, via een systeem van zuigers en assen, de wielen van de auto draaien. Een verbrandingsmotor draait in vier fasen, die takten genoemd worden.

De verbrandingsmotor / Le moteur à combustion

De motor drijft aan

De motor is de krachtbron van een auto en dus het hart van de aandrijflijn. We noemen hem een verbrandingsmotor als hij zijn energie haalt uit de verbranding van een brandstof (zoals benzine of diesel).

In elk geval is zo’n motor een prachtig stukje techniek dat op een ingenieuze manier zijn kracht doorgeeft aan de versnellingsbak. Hier krijg je alle onderdelen op een rij.

Wat zijn benzine en diesel?

Miljoenen jaren geleden was onze aarde bedekt met uitgestrekte wouden van bomen en planten. De resten van die wouden zijn na al die eeuwen veranderd in olie, gas en steenkool. Door aardolie grondig te zuiveren en te bewerken, verkrijg je benzine en diesel.

Het verschil tussen die twee stoffen? Om benzine te doen ontbranden, heb je een vonk nodig. Terwijl diesel vanzelf ontbrandt, als de druk maar groot genoeg is.

Wist je dat?

Een dieselmotor geen bougie nodig heeft.

Lees meer >

Cilinder, zuiger en bougie

Cilinder
De cilinder is een afgesloten kamer waarin de brandstof tot ontbranding wordt gebracht. Een automotor heeft meestal vier tot zes cilinders. Ooit al horen spreken over een automotor met een inhoud van 1,8 liter? Dat slaat op de totale inhoud van de cilinders en geeft aan hoeveel ruimte er is om het brandstofmengsel (mengsel van brandstof en lucht) te verbranden. Niet dat motoren met een grotere cilinderinhoud altijd krachtiger zijn. Dankzij slimme technologie kunnen ook motoren met een kleinere cilinderinhoud best krachtig zijn, en soms zelfs krachtiger dan hun grotere broers.

Zuiger
Een zuiger is een dikke, ronde schijf die op en neer kan bewegen in de cilinder. Rondom de zuiger zitten zuigerveren, zodat er geen gas naar onderen kan ontsnappen.

Bougie
De bougie zorgt voor de vonk die nodig is om het mengsel van brandstof en lucht in de cilinder te ontsteken. Een bougie is typisch voor benzinemotoren. Dieselmotoren hebben geen bougie nodig, omdat de hoge druk in de clinder de lucht zo heet maakt dat de brandstof vanzelf ontvlamt.

De verbrandingsmotor / Le moteur à combustion

Kleppen, assen en distributie

Kleppen
Elke cilinder heeft minstens één inlaatklep en één uitlaatklep. Via de inlaatklep stroomt het mengsel van brandstof en lucht in de cilinder. Via de uitlaatklep stromen de verbrandingsgassen uit de cilinder weg. In sommige motoren heeft elke cilinder zelfs twee inlaatkleppen en twee uitlaatkleppen.

Nokkenas
De kleppen worden bediend door de nokkenas, waarop elke klep een aparte nok is aangebracht. Een nok op een nokkenas heeft vaak de vorm van een ei. Die nok bepaalt precies wanneer een klep opent, hoe ver die opengaat en wanneer die sluit. Bovendien bepaalt de nok of de klep langzaam of snel opent en sluit. Dat is heel belangrijk, want alleen als de kleppen perfect zijn afgesteld, worden de cilinders gevuld met de ideale hoeveelheid brandstof en lucht. Bij een motor met dubbele nokkenas zijn de inlaatnokken en uitlaatnokken elk op een aparte as aangebracht.

Krukas
De krukas zet de op- en neerbeweging van de zuigers om in een draaibeweging voor de wielen. Een krukas is een ronde staaf met daarop één of meerdere uitsteeksels (krukken) die in verbinding staan met de bewegende zuigers. Als de zuiger beweegt, wordt de kruk weggeduwd en gaat de krukas draaien. Deze draaibeweging doet het binnenste van de versnellingsbak bewegen. Zo gaan ook de wielen aan het draaien. Eigenlijk zijn het dus de zuigers die de wielen doen bewegen.

Distributie
Via schijven en een riem drijft de krukas ook de nokkenas aan. Die aandrijving wordt distributie genoemd. De nokkenas draait altijd half zo snel als de krukas. De verhouding tussen die twee snelheden (2:1) is de distributieverhouding. De riem die tussen de twee assen loopt, is de, nogal wiedes, distributieriem.

Geef je mening